Mijn reactie op de recente kritiek op de polyvagaaltheorie

Als iets je dierbaar is, schiet je soms in de verdediging

Mijn eerste reactie op het artikel van Grossman was dat ik me aangevallen voelde en daarna dat ik in de verdediging schoot. Heel menselijk, en heel herkenbaar. De polyvagaaltheorie is me dierbaar. Niet alleen omdat ik er veel waarde in zie, maar ook omdat ik ermee werk, erover schrijf, er trainingen in geef en omdat het dus niet alleen over een theorie gaat, maar ook over mijn dagelijkse praktijk en, laten we eerlijk zijn ook over mijn inkomen. Daarbij komt dat ik vanuit het Polyvagaal Instituut Nederland betrokken ben bij het volgen en duiden van dit debat. Dan is het niet zo vreemd dat zo’n stuk eerst niet alleen in mijn hoofd, maar vooral in mijn zenuwstelsel binnenkomt, en is afstand bewaren soms makkelijker gezegd dan gedaan.

Maar na die eerste verdedigende reflex merkte ik dat ik iets anders nodig had: tijd. Tijd om het te laten zakken. Tijd om te lezen. Tijd om beter te begrijpen wat hier nu eigenlijk gezegd wordt. Ik heb de afgelopen tijd veel gelezen: stukken van Porges, Grossman, Arielle Schwartz, het artikel in The Trauma Therapist’s Notebook / Trauma Journal, de respons van Polyvagaal Instituut Nederland, en gesprekken gevoerd met collega’s en cliënten. Niet om mijn gelijk te halen, maar juist om mezelf de vraag te stellen: waar raakt deze kritiek iets wezenlijks, en wat blijft er overeind als de eerste commotie zakt?

Jaren geleden begon mijn zoektocht niet vanuit een theoretische fascinatie, maar vanuit de praktijk. Waarom kunnen sommige mensen beter praten over trauma, verlies of stress, terwijl anderen bij hetzelfde onderwerp ineens verdwijnen, dichtklappen, wazig worden, of juist enorm gejaagd raken? Waarom helpt inzicht de ene keer wel en de andere keer totaal niet? Waarom zijn er momenten waarop woorden nauwelijks meer landen? Dat was voor mij de weg naar de polyvagaaltheorie. Voor mij was dat de missing link.

Wat ik daarin vond, was taal voor iets wat ik al veel langer zag. Dat fysiologische toestand niet een bijzaak is, maar de bodem onder hoe iemand waarneemt, voelt, contact maakt en reageert. Dat afstemming niet soft of vaag is, maar biologisch relevant. Dat veiligheid niet in je hoofd ontstaat, maar voelbaar wordt in het lijf, in tempo, in intonatie, in gezichtsuitdrukking, in afstand en nabijheid. En dat veel van wat wij “lastig”, “heftig”, “onverklaarbaar” of “niet gemotiveerd” noemen, vaak heel logisch wordt als je het bekijkt vanuit toestand van het autonome zenuwstelsel.

Dat blijft voor mij nog steeds een enorme bijdrage van de polyvagaaltheorie.

De kritiek van Grossman en collega’s neem ik serieus. Zij stellen stevige vragen bij de neurofysiologische onderbouwing van delen van de theorie: over de interpretatie van RSA, over de precieze rol en afbakening van vagale circuits, en over de evolutionaire manier waarop sommige claims worden gepresenteerd. Dat zijn geen kleine details. Dat is de kritische toetsing dat wetenschap nodig heeft.

Tegelijk vind ik het belangrijk om heel precies te blijven in wat er nu eigenlijk bekritiseerd wordt. En daar heeft Arielle Schwartz wat mij betreft terecht een belangrijk punt. De centrale klinische propositie van de polyvagaaltheorie, nl. dat autonome toestand een organiserend platform vormt voor perceptie, emotie en relationeel gedrag, is met deze kritiek niet empirisch onderuitgehaald. De discussie gaat vooral over mechanisme en evolutionaire framing. Dat is wezenlijk iets anders dan zeggen: dit hele klinische denkkader klopt niet. Zij benoemt bovendien dat delen van de kritiek lijken te mikken op een gereconstrueerde of versimpelde versie van de theorie, in plaats van op de theorie zoals die in de literatuur werkelijk wordt geformuleerd. Ook dat herken ik.

Dat onderscheid vind ik belangrijk, juist omdat er online en in populaire taal vaak van alles met de polyvagaaltheorie gebeurt. Er is veel versimpeling. Veel stoplichttaal. Veel snelle claims over “je zit in je dorsale” of “je moet je vagus activeren”, zonder context, zonder nuance, zonder relationele bedding. Daar heb ik zelf al langer moeite mee. Dus ja: kritiek op de manier waarop de theorie soms gebruikt of versimpeld wordt, snap ik vaak heel goed. Maar dat is voor mij niet hetzelfde als zeggen dat de kern ervan klinisch waardeloos zou zijn.

Sterker nog: wat voor mij juist onderscheidend blijft, is dat de polyvagaaltheorie regulatie niet alleen als iets binnen het individu ziet. Er zijn meer modellen die erkennen dat autonome regulatie invloed heeft op psychisch functioneren. Maar de polyvagaaltheorie legt veel nadruk op de relationele context: op het feit dat ons autonome systeem niet alleen van binnenuit, maar ook in contact gevormd en beïnvloed wordt door signalen van veiligheid en gevaar in onze omgeving. Onze staat wordt mede gevormd in ontmoeting, in afstemming, in toon, blik, houding, timing, nabijheid en afstand. Dat vind ik geen detail. Dat is voor mij de kern.

Misschien is dat ook waarom ik steeds moet denken aan iets wat mijn moeder vroeger zei: c’est le ton qui fait la musique. De toon maakt de muziek. Je hoort, ziet en voelt aan toon of iemand in verbinding is of niet. Dat geldt in een gesprek thuis, op de werkvloer, in een team, maar zeker ook in de praktijk- en trainingsruimte. In hoe iemand binnenkomt. In de ogen. In het tempo. In de stem. In of iemand net iets te snel gaat, te hard, te vlak, te weinig afgestemd, of juist precies genoeg veiligheid uitstraalt om het systeem van de ander iets te laten zakken. Voor mij zit daar heel veel van de waarde van deze theorie: in wat je kunt waarnemen, voelen en proefondervindelijk terugziet.

Of, zoals Porges het zegt: Science is meant to be experienced, not just studied.” Die zin raakt voor mij precies de spanning en de brug. Natuurlijk moet wetenschap kritisch getoetst worden. Natuurlijk moeten claims onderzocht, verfijnd of soms herzien worden. Maar ik geloof niet dat klinische ervaring en wetenschap tegenover elkaar hoeven te staan. Voor mij zit het bewijs niet alleen in papers, maar ook in de beleving en in wat ik al jaren voor me zie in mijn praktijk: dat neuroceptie sneller is dan taal, dat co-regulatie echt gebeurt tussen mensen, dat stem, gezicht, prosodie en afstemming effect hebben, en dat mensen vaak pas weer kunnen voelen, denken en reflecteren wanneer hun systeem voldoende veiligheid ervaart.

Ik zie ook dat de kritiek vragen oproept waarop nog geen beter alternatief wordt aangeboden. Er worden terechte kanttekeningen geplaatst bij mechanismen, maar daarmee is nog niet verklaard hoe we de paradoxen begrijpen die we in de praktijk zien: waarom het parasympathische systeem zowel met herstel als met shutdown geassocieerd kan zijn; waarom sommige getraumatiseerde mensen vooral in hyperactivatie schieten en anderen juist in verdoving, terugtrekking of dissociatie; en waarom relationele veiligheid soms meer doet dan nog een inzicht, analyse of cognitieve interventie. Juist daar blijft de polyvagaaltheorie voor mij voorlopig een behulpzaam en werkend model.

Dus waar kom ik nu uit?

Niet bij blind verdedigen. Maar ook niet bij afserveren.

Wel bij: kritischer, preciezer en eerlijker gebruiken. Minder als absolute waarheid. Minder als identiteit. Minder als marketingtaal. Meer als een klinische bril die nog steeds veel verklaart, veel menselijkheid terugbrengt en veel cliënten helpt om zichzelf beter te begrijpen.

Voor mij blijft de polyvagaaltheorie waardevol, juist omdat ze iets laat zien wat ik in mijn praktijk en in mijn eigen leven steeds opnieuw bevestigd zie: dat we geen losse breinen zijn die af en toe een lichaam hebben, maar relationele, belichaamde wezens. We worden geraakt in contact. We raken ontregeld in contact. En we herstellen vaak ook in contact.

En misschien is dat uiteindelijk mijn voorlopige conclusie in dit debat: ik hoef de polyvagaaltheorie niet heilig te verklaren om haar waarde te blijven zien. Ik kan kritisch blijven lezen, open blijven voor nuance, en tegelijk blijven vertrouwen op wat ik al jaren proefondervindelijk zie gebeuren.

Bij het schrijven van dit stuk baseer ik me o.a. op eigen praktijkervaring, gesprekken met cliënten en collega’s, en op het lezen van onder meer Paul Grossman, Stephen Porges, Arielle Schwartz, het artikel “Polyvagal Theory is under fire” van Pria Alpern in Trauma Journal, en de duiding van Polyvagaal Instituut Nederland.